Montage

TWENTSE PLATEN SPECIALIST

Montage dakpanplaat.

Dakpanplaten zijn zowel op nieuwbouw als renovatiedaken toepasbaar met een dakhelling vanaf 10 graden. Over een bestaand dak van golfplaten kunt u de dakpanplaat ook monteren. De dakpanplaten hebben een extra watergoot, daarom behoeven de zijoverlappen niet te worden afgekit.

Begin met het aandachtig lezen van de montagevoorschriften en bestudeer vooral de detailtekeningen. U  zult zien dat het relatief gemakkelijk is om de dakpanplaten te monteren. Het belangrijkste is een  goede planning te maken en een zekere nauwkeurigheid te betrachten bij het maken van de ondercon-structie.

Bepaalde procedures en details in dit voorschrift zijn sterk geënt op de onderconstructie waarop de platen zijn bevestigd. Lees daarom nauwkeurig de instructies die bij uw dak horen. Een dakpanplaat vraagt nagenoeg geen onderhoud. LET OP: dat er “touch-up verf” moet worden gebruikt als het oppervlak beschadigd wordt bij het monteren. Verwijder al het boorsel van de platen (niet vegen) om roestvorming te voorkomen. Lopen over de dakpanplaat geeft normaliter geen beschadigingen, toch is het raadzaam om alleen in de z.g.n. dalen van de plaat te lopen.

Is het dak haaks?

Meet het dak van hoek naar hoek. Als deze maten verschillend zijn, is het dak scheef. Veel van deze verschillen zijn weg te werken bij het windveerdetail. Als de verschillen te groot zijn, zal het dak of de lengte van de platen moeten veranderen. Vervang beschadigde of rotte delen van de dakconstructie.
 
Dakhelling minimaal 10 graden.

Het dak moet een minimale helling hebben van 10 graden.

Gebruik nooit een slijpschijf!

Ter bescherming is het aan te raden de behandelde hoeken te laten overlappen. Knip de platen met een knabbelschaar. Gebruik nooit een slijpschijf, de warmte veroorzaakt schade aan de coating en de gegalvaniseerde laag en de verwarmde stukjes staal branden in de coating met als gevolg roestvorming.

Met een knabbelschaar.

Gebruik een lange lat als liniaal om rechte lijnen te kunnen tekenen met een stift, pen of potlood. Plaats de plaat op een verstevigde onderconstructie. Als u de plaat gaat knabbelen adviseren wij u om aan één kant van de zaagsnede een plank te plaatsen. De plank zet u vast met lijmtangen. De plank zorgt er voor dat u in een rechte lijn knabbelt.

Schroef.

Bij de dakpanplaten zijn speciale schroeven te verkrijgen. Deze schroeven zijn zelfborend en voorzien van een kleurkop (gelakt/gepoedercoat). De schroeven zijn gemakkelijk met een boormachine, die is voorzien van een slipkoppeling, te bevestigen. U heeft nodig ca. 8/10 schroeven per m2 en een powerbit.

Onderconstructie.

De nieuwe constructie altijd met anticondensfolie! Monteer de eerste tengel (11×33 mm) op het  dakvlak in de richting van de goot naar nok (h.o.h. 600 mm). Span dan de anticondensfolie daar  overheen en monteer dan een andere tengel bovenop de eerste. Gebruik een goed soort hout voor de latten zodat  deze niet splijten bij het uitdraaien van de schroeven.

Panlat afstand.

De onderste panlat ligt op 330 mm van de tweede. Deze kan ook variëren i.v.m. andere gootconstructie. Na de tweede de rest vastzetten op 400/350 mm (afhankelijk van de plaat) afstand hart op hart. Controleer of het klopt met een geleverde plaat. De onderste panlat kunt u nu voorzien van een afdekhoekje zodat het geheel onderhoudsvrij kan worden gemonteerd en de onderste panlat niet in het zicht komt. De onderste panlat van het dak moet ca. 12 mm dikker zijn dan de andere. De afstand kan variabel zijn i.v.m. overstek in de goot. Deze lat draagt zorg voor de juiste positie van de plaat.

Nieuw dak over golfplaten.

Het bestaande dak kan gehandhaafd blijven zodat het tevens kan dienen als onderconstructie en/of dampremmer. Zijn de golfplaten van asbest dan dienen deze verwijderd te worden. Nieuwe latten, van  ongeveer 50 x 75 mm, afhankelijk van de golfmaat, worden vastgelegd in de lage golven van de oude platen. Deze latten kunnen 1200 mm hart op hart uit elkaar worden geplaatst. Hierover plaatst u de panlatten zoals eerder aangegeven, nl. de eerste en de tweede 330 mm en de rest van 400/350 mm hart op hart van elkaar. De onderste panlat weer 12 mm dikker dan de andere.

Vervanging van gewone dakpannen.

Controleer eerst de hoedanigheid van de panlatten. Als deze kunnen worden gebruikt, plaats ze dan op 270 mm afstand van de eerste en de rest 350 mm hart op hart. Dit geldt bij een 350 mm pan. Voordat u dit doet, plaatst u eerst de anticondensfolie en tengels op het dak.  Als u begint met het monteren van de dakpanplaten, moet u de eerste platen even met 2 schroeven vastzetten. Dan kunt u zien of het gaat verlopen. Is dit het geval, dan moet u de eerste plaat (platen) wat uit de haak gaan leggen.

Bevestigingsvolgorde.

De dakpanplaten worden vanaf de rechterzijkant van het dak gemonteerd. Goot tot nok in één lengte (max. lengte 6550 mm): monteert u gewoon van rechts naar links. Let bij het monteren altijd op de gootlijn, want de ligging van de platen is bijna niet te corrigeren als u verkeerd begint.  Tip: Monteer de platen eerst met 2 of 3 schroeven vast (mocht het niet goed zijn, kunt u het makkelijk corrigeren en als het wel goed is kunt u de platen afmonteren). LET OP! IJzerscherfjes na montage van de platen zorgvuldig verwijderen van de platen. Zo voorkomt u roestvorming.

De bevestiging.

De bevestiging die wij aanbevelen zijn de zelfborende schroeven van 35 mm met afdichtingsringen. De bouten geven u zekerheid voor een lucht- en waterdichte afsluiting. Alle schroeven moeten worden geschroefd aan de onderzijde van de pan op het laagste gedeelte 25 –30 mm onder de panlijn, iets uit het midden van de pan. Bij eindstukken en zijdelings overlappen bevestigt men de schroeven in de dalen van de pan. Bij een zijdelingse overlap moet men de schroef iets meer in de richting van de overlap bevestigen, zodat deze strak op de onderliggende plaat komt te zitten, waardoor de schroef de overlap sluitend aantrekt.

Afwerking.

Voor een goede afwerking is het mogelijk een rond nokstuk te plaatsen. De eindkappen eerst in de nokken monteren. Plaats een profielvuller en monteer dan met behulp van de zelfborende schroeven de nokvorst. Monteer de boutjes in de hoge gedeeltes van de dakpanplaten. Draai de boutjes niet te hard en te snel aan om doldraaien te voorkomen.